| 1. Levensbeschouwing. |
| 2. Pedagogische overtuiging. |
Christelijke inspiratie van onze school
De
christelijke zingeving en beleving doordringt het hele schoolgebeuren. De
inspiratiebron van ons opvoedingsproject is Jezus Christus.
-
Aanleren van de belangrijkste gebeden .
-
Opvoeden tot persoonlijk gebed.
-
Alle leerlingen volgen de lessen catechese
-
Niet naast elkaar doorwerken, zorgen voor uniformiteit
-
Strengheid en goedheid laten ervaren
-
Verwijzen naar catechesemomenten bij goede en minder goede daden
-
Weerspiegelen van verhalen in een catechetisch klashoekje (kruisbeeld,
…)
Zelf
gebeden maken
Onze
mensvisie is bijbels-christelijk, d.w.z. dat wij de mens zien als een persoon :
- Die zijn bestaan ontvangt als gave en opgave ;
- Die wordt uitgenodigd dit bestaan te realiseren ; als vrije mens.
Jezus Christus en het evangelie
Wij hebben de opdracht de kinderen te laten kennismaken met het leven en de leer van Jezus Christus : het evangelie ; dit in een historische context.
Onze
school heeft ook een zendingsopdracht : van de leerkrachten wordt verwacht dat
zij het geloof verkondigen en voorleven.
Van
de ouders wordt minstens verwacht dat zij loyaal zijn tegenover het geheel van
de geloofsopvoeding dat aan de kinderen wordt gebracht (geen anti-houding).
De
leerlingen nemen deel aan alle gebeds- en sacramentele vieringen die binnen
schoolverband worden gehouden.
Aandacht
voor een eerbiedig gedrag tijdens gebed en bijeenkomsten in de kerk.
Leerlingen
die vanuit hun geloofsovertuiging niet mogen deelnemen aan sacramentele
vieringen worden gerespecteerd in hun overtuiging en worden niet verplicht om
deel te nemen aan de vieringen.
Onze school maakt deel uit van de parochiegemeenschap St – Mauritius te Bilzen.
Kinderen kunnen, durven en mogen hun eigen gevoelens op verschillende vlakken uiten.
Daarom is het belangrijk dat er een vertrouwensrelatie met de leerkracht wordt opgebouwd zodat het kind zich thuis voelt op de school.
Kinderen
moeten leren omgaan met anderen, hun creativiteit, gevoelens en eigenheid.
Naast de intellectuele en dynamische component moet – voor de evenwichtige ontwikkeling van de persoonlijkheid – ook de psycho-motorische component voldoende aandacht krijgen.
De ontwikkeling van de muzische, manuele en lichamelijke vaardigheden moet de leerling kansen tot expressie geven. Door creatief bezig te zijn, leert het zichzelf waar te maken in deze veranderende maatschappij.
Ons
opvoedingsproject verschilt van dit van de lagere school doordat wij het kind
met al zijn mogelijkheden en beperkingen centraal stellen.
Wij kiezen voor het model van de diamant. Het kind dat bij ons komt is als een ruwe afgewerkte diamant.
De leerkrachten, ouders, CLB, individuele hulpverleners en directie zijn
de diamantbewerkers die de onafgewerkte steen moeten veredelen tot een kostbare
steen.
Het kind leert op school informatie verwerven en ontwikkelt zo zijn
intellectuele vaardigheden.
Het
leert ze in de verschillende vakgebieden hanteren en toepassen.
De school is de plaats waar de jonge mens leert studeren, in zijn inspanningen
volharden en voldoening vinden in zijn werk.
De school maakt de kinderen gevoelig voor het willen ontdekken van de
volle waarheid en van de diepe zin van het leven. Dit doet ze door kennis bij te brengen over de wereld rondom
hem. Hierdoor wordt hij degelijk
voorbereid op de toekomst.
Het
kind als mens.
We
proberen aan te sluiten bij de belangstelling en leefwereld van het kind.
Er is bijzondere aandacht en zorg voor de ‘kleinen’ onder ons, de
kansarmen en zwakkeren. Daarom is het belangrijk dat wij de thuissituatie en de
gevoelswereld van het kind leren kennen. Betrekken
van ouders bij diverse activiteiten, schoolprojecten en naschoolse activiteiten.
Het is belangrijk dat de kinderen zich een eigen mening vormen waarbij het
standpunt van de ander als waardevol beschouwd moet worden;
Zo leren ze elkaar te respecteren en te aanvaarden.
Elk
kind heeft recht op vorming aangepast aan zijn persoonlijkheid en mogelijkheden.
Zo krijgt het maximale ontplooiingskansen.
Het kind wordt in zijn totaliteit benaderd (hoofd, hart en handen) met voldoende
oog voor het anders-zijn van elk kind.
Wij
pogen ons onderwijs zo in te richten dat er bij de kinderen een continu
ontwikkelingsproces ontstaat en dit in alle aspecten van de kinderlijke
ontwikkeling. Bij de keuze van de
leermiddelen en bij de organisatie van het klasleven pogen wij deze
continuïteit te behouden.
Het is in die context erg belangrijk dat de kinderen goed gevolgd worden en er
tijdig interne of externe hulp wordt ingeroepen.
Didactisch is het zo dat hoe groter de leerproblemen zijn hoe beter omschreven
de leerstappen moeten zijn en hoe beter de continuïteit moet verzorgd worden.
Hiervoor beschikken de klastitularissen over 6 wekelijkse plage-uren
(kindvrije uren) die hiervoor ook moeten bestemd worden.
Dit samenwerken resulteert in een duidelijk omschreven handelingsplan dat
neergeschreven wordt in het dossier van het kind.
De bijzondere leermeesters betekenen een hulp voor de leerkrachten.
Het zijn de leerkrachten die op klassenraden of andere gespreksmomenten
de vraag moeten richten voor individuele hulp.
Van de bijzondere leermeesters mag een zeer grote deskundigheid vereist
worden. Zij moeten niveaubepalingen
en diagnoses van lees-, reken-, taal-, motorische en spraakproblemen kunnen
opstellen. Hun taak bestaat er
verder in om leerbelemmeringen weg te werken.
Waar heel dikwijls de fundamenten van het leesproces gebouwd worden op
drijfzand zorgen de bijzondere leermeesters voor een vaste ondergrond waarop de
pijlers van het leerhuis kunnen gebouwd worden.
Eenieder zal dit doen vanuit zijn specifieke opleiding.
De bijzondere leermeesters, individueel onderwijs en de directie zorgen ervoor
dat alle bijkomende hulp gecoördineerd wordt zodat hokjestherapie vermeden
wordt.
De bijzondere leermeesters en de logopedisten en het CLB staan in voor het
samenstellen van de homogene groepen. Hierbij
wordt een scheiding van de types (1, 8 en 2) gerespecteerd.
Indien het kind beter zou functioneren in een ander type en indien
typeveranderingen, op basis van de testuitslagen niet kan, kan de beslissing van
de klassenraden bindend zijn voor het plaatsen in een ander type.
Omdat wij uitgaan van het centraal stellen van het kind moet dit mogelijk
zijn !
De
leerkracht moet inzichtelijk, didactisch en pedagogisch onderlegd zijn en op
verantwoorde en aangepaste manier het totale kind alle kansen tot ontplooiing
geven. Tevens moet hij streven naar
verdere uitbouw en verbetering van de vakbekwaamheid.
Hij staat open voor vernieuwing en maakt hierbij in de mate van het
mogelijke gebruik van de begeleiding en navorming die hem wordt aangeboden.
Het schoolbestuur verlangt dat iedere leerkracht de B.O.-cursus heeft gevolgd.
Relatiebekwaamheid
Naar de kinderen toe pogen we door
een positieve relatie kinderen op te voeden tot volwaardige mensen.
Als leerkracht oog hebben voor familiale en sociale achtergronden van de
andere.
Opvoeden als een groepsgebeuren zien. Iedere
participant is mede verantwoordelijk voor de opvoeding van de kinderen.
De ouders vormen een belangrijke gesprekspartner voor de leerkrachten.
Dit ten overstaan van de visie op de
school en de verschillende participanten.
Persoonlijk voorleven
Doorheen
alle kontakten en de houding van de leerkracht in de school blijkt zijn
persoonlijk voorleven van de waarden uit de schoolvisie.
Wij willen de jongeren begeleiden bij het ontdekken van die attitudes en waarden die belangrijk zijn om zich als volwaardige en gelukkige mensen – tegenover zichzelf en de maatschappij – te engageren : wellevendheid, zelfdiscipline, solidariteit, eerbied, vertrouwen, enthousiasme, esthetische en religieuze zingevingen, …
Ons onderwijs moet voeling houden met de maatschappij, die door een nooit eerder geziene evolutie in kennis, wetenschap, technologie, internationale contacten, … wordt gekenmerkt.
Het
is de taak van ons onderwijs, die evolutie te volgen en vanuit de evangelische
inspiratie er een verantwoord kritische houding tegenover aan te nemen.
Van de leerkrachten wordt bijgevolg verwacht dat zij zich op een actieve
manier interesseren voor het reilen en zeilen van onze maatschappij en dat zij
zich voortdurend bijscholen door lectuur, zelfstudie, contacten met collega’s
en deelname aan bijscholingscursussen.
Contact met de natuur en de mens
De school bevordert het doorleefd en doorvoeld contact met de natuur en de mens.
De
jonge mens hoeft de natuur niet alleen te bestuderen en technisch te beheersen,
hij moet ze ook leren ervaren als het milieu waarin hij kan leven en open
bloeien, als een waarde die hij moet eerbiedigen.
Hij kan er affectief tot rust komen en zijn diepste wezen ontdekken.
Samen leven binnen de school
Elke
leerkracht streeft ernaar een sfeer van vertrouwen te scheppen, een ‘thuis’
in de klas, zodat het kind zich goed voelt en graag naar de school komt.
Vandaar het belang dat elke leerkracht een luisterend en meevoelend oor
en hart heeft voor elk kind. Voor
de kinderen betekent dit onder andere ook beperkingen en mogelijkheden van
zichzelf en de andere erkennen en aanvaarden.
Sociale bewogenheid
De
school zal de sociale gezindheid opwekken (d.i. eerbied en gevoeligheid voor de
vele sociale waarden die de grondslag vormen van onze maatschappij). Het is belangrijk dat de kinderen zich een eigen mening
vormen waarbij het standpunt van de ander als waardevol beschouwd moet worden.
Zo leren ze elkaar te respecteren en te aanvaarden.